Blog
Bodh Gaya, India, februari 2026
Waterbowlceremonie – waar een boeddhistisch ritueel en performance art elkaar raken
In Bodh Gaya, India, nam ik in februari 2026 deel aan een Water Bowl Offering in de Mahabodhitempel. De tempel, het onderkomen van een Boeddhabeeld, vormt samen met een bodhiboom de kern van een vierkant religieus terrein met meerdere stupa’s. Onder de bodhiboom zou Boeddha verlichting hebben bereikt. De boom die er nu staat is overigens een na-zaad van de oorspronkelijke boom.

Zonder al te veel boeddhistische kennis en ervaring deed ik in het klooster waar ik verbleef op een middag mee met het reinigen en selecteren van zilveren waterkommetjes. De activiteit was onderdeel van een maand durende Water Bowls-Offering waarbij er uiteindelijk in totaal 100.000 kommetjes zouden worden geplaatst bij de Mahabodhitempel. Omdat ik in Bodh Gaya iets anders deed kon ik niet de hele periode meedoen maar ik was wel getriggerd.
Reinigen. Reinigen met aandacht en precisie. Individueel en samen. In water dompelen, schoonmaken, drogen.

Het reinigen van de kommetjes was bedoeld in brede zin: het ging ook om selecteren: beschadigde kommetjes zouden niet meedoen. Waarom zouden beschadigde kommetjes moeten worden uitgesloten? Het antwoord zal zich ophouden in normering, de waarneming van verschil en een onderliggend duaal denkmechanisme. Maar goed, het onderscheid verscherpte wel de aandacht voor de kommetjes.
De herhalende bewegingen van het reinigen voelden meditatief. En dat niet alleen. Ik vroeg me af, vanwege de herhaling en de minimale van de vorm van de handelingen, hoe het reinigen zich verhield tot performance kunst. De gedachte, de vraag eigenlijk, zou terugkeren.
De volgende dag kwamen we vroeg aan bij de Mahabodhitempel. Een overweldigende plek die, door de vele aanwezige Tibetaanse monniken en hindoes, een enorme spiritualiteit ademde. Ook door de rituele gebeden, de puja’s en het uitspreken en zingen van mantra’s. De sfeer raakte me diep.
Met een aantal personen zouden we ’s ochtends de waterkommetjes plaatsen. En ze later op de dag weer weghalen. Gedurende de maand zouden er dagelijks kommetjes worden geplaatst en ’s middags weer worden weggehaald. Eerst reinigden we de plek. Veegden de lage, lange, stenen muren die de tempel en de bodhiboom omringden. We werden gevraagd de mond te bedekken zodat er geen onreine (?) adem in contact zou komen met de kommetjes.
We verdeelden de waterkommetjes. Reinigden ze één voor één met wierook in combinatie met het zacht uitspreken van de Tibetaanse mantra OM AH HUM. De mantra staat voor de zuivering (?) van lichaam (OM), spraak (AH) en geest (HUM)). De wierook bracht ook focus, verkleinde de wereld tot de handeling. Ik begon met het vullen van de kommetjes. Vanuit een grote ton, met een tussenstap om ook hier weer de kommetjes niet in contact te brengen met het verondersteld onreine watervat. Het water bevatte saffraan, voor het reinigende effect.

Op de muur vormden zich langzaam rijen met kommetjes, met aandacht geplaatst. In de kommetjes een laagje water. Wanneer de rijen compleet waren, vulde ik in alle kommetjes het water aan tot bijna de rand. Waarbij hetzelfde mantra: OM AH HUM. Een aantal keer deden passerende Tibetaanse monniken mee met het vullen van de kommetjes.
Evenals bij de middag ervoor, kwam de gedachte aan performancekunst op: de herhaling van handelingen, de werking van ruimte en tijd, de abstractie van de persoon in de vorm van werkend lichaam en het vluchtige karakter van het geheel aan handelingen. Maar realiseerde me ook verschillen tussen de ceremoniële, ritueelachtige Waterbowls-handeling en de artistieke performance: de intentie en zichtbaarheid. Het gaat bij de waterkommen om geven (offering). Aan de Boeddha. Niet alleen het geven van water maar ook tijd van leven, energie en aandacht. De laatste drie gaan ook op voor de performancekunstenaar trouwens en voor zo ongeveer alles in een menselijk leven. Bij performance art is er een relatie tussen de kunstenaar, de performance en het publiek. Een bewust naar buiten gerichte activiteit. Die gezien, ervaren, wil worden. De Waterbowls-oefening is een boeddhistische oefening in geven, reinigen en loslaten. Is te zien als een mentale exercitie. Water als reinigende substantie, wat wordt versterkt door het saffraan.

De handeling van reinigen werd benadrukt doordat we in de middag terugkeerden naar de tempel om de waterkommetjes te legen. De kommetjes vullen- de kommetjes legen. Aan het einde van de dag bleef er niets tastbaars over. Door het legen van de kommetjes kreeg het totaal van handelingen een meditatief karakter zoals bij het zitten op een meditatiekussen: gedachten en projecties die in het hoofd opkomen en (hopelijk) weer verdwijnen. Het water had even stilgestaan in het kommetje, had de vorm van het kommetje aangenomen maar stroomde bij het legen van de kommetje weer weg in het gras. Benadrukt werd het idee van tijdelijkheid, van de vergankelijkheid van dingen. Van loslaten. Duidelijker is het wellicht om de link te leggen met het boeddhistische Sunyata (Sanskriet): dingen (inclusief een menselijke persoonlijkheid) “zijn” verandering. Ze ontberen een vaste kern dan wel essentie en be-“staan” uitsluitend in samenhang met continu veranderende contexten en relaties. Ze bestaan nooit onafhankelijk.
De handeling, de herhaling van de handelingen en de vluchtigheid van waterbowls-oefening maar ook andere oefeningen die ik zag rond de stupa, vertoonden grote gelijkenis met performancekunst. Waarbij performancekunst een recentere uitvinding die zich hier en daar laat inspireren door het boeddhisme en religieuze handelingen. Er is performancekunst in veel vormen. Die altijd vluchtig van aard zijn. Waarin het lichaam niet zozeer een identiteit, een ego, is maar een abstractie. Verwordt tot een noodzakelijk en handelend object. Marina Abramovic – die ook Bodh Gaya bezocht en boeddhistische uitgangspunten in de performancepraktijk integreert – citerend: “ Performance art is een mentale en fysieke constructie die de kunstenaar voor het publiek opvoert in een specifieke tijd en ruimte. Het is een dialoog van energie.”
Varanasi, India, februari 2026

Waarom maak je wat je maakt? De onbewuste hoogsensitieve archetypische verbinding? Een zoektocht naar iets existentieels? Een ei en dan ook nog van kosmisch materiaal is existentieel. Heel behoorlijk existentieel.
Ik heb Kosmisch Ei een tijd geleden gemaakt. Wist aanvankelijk niet wat ik ermee aan moest. Een ei gemaakt van as, as van haar. Een “tekening” die menselijk materiaal met papiervezel combineert. Mens als doorgaans waarnemend subject is nu object geworden, in het werk beland. Waarmee het een samengaan van taalkundige tegenstelingen is geworden. En dat samengaan geldt op Fenix achtige wijze ook voor het materiaal en de vorm: as en ei. Einde en nieuw begin.
Begin 2026 was ik India. Zo’n twintig jaar geleden was ik in Varanasi en ik had een sterk verlangen om terug te gaan naar deze stad, ook wel “de stad van de Dood” genoemd. Slow traveling dit keer, ik bracht twee weken door in de heilige en oude stad en liep dagelijks langs de Ganges. Zat vaak urenlang bij één van de crematiegronden aan de heilige rivier, de Harishchandra ghat. Om de rituelen rondom de crematies (op afstand, als buitenstaander) te “ervaren”: rituelen waarin het tegengestelde water en vuur een belangrijke rol hebben, lichamen in rook opgaan en naasten naar het schijnt de overledene veelal vreugdevol loslaten. Volgens hindoeïstische overtuiging leiden sterven en gecremeerd worden in Varanasi tot bevrijding in de cyclus van reïncarnatie.

Bij de ghats van Varanasi worden steenachtige zwarte eieren verkocht. Kosmische eieren, zo bleek. Het ei staat voor de scheppende kracht van Brahma, de schepper van het universum volgens het hindoeïsme. Het ei is als onderdeel van de Shiva Lingham is overal te zien in Varanasi. Vanuit de Trimurti, de goddelijke drie-eenheid, is er een wisselwerking tussen de drie goden Brahma, Vishnu en Shiva: het EI (Brahma): de geboorte en expansie van het universum. Het behoud ervan door Vishnu: het leven binnen het ei. En: de ontbinding (Shiva). Shiva is creator en vernietiger tegelijk. Varanasi wordt overigens gezien als de stad van Shiva. Shiva zal de schaal van het ei verbrijzelen, een vernietiging die niet het einde vormt: de as van de verbrande kosmos vormt de kiem voor het volgende ei.
Het idee dat het universum voortkomt uit een ei blijkt in veel oude beschavingen op te duiken, het Griekse Orphische Ei, in Egypte, de Chinese Pangu die hemel en aarde zou hebben geschapen uit een kosmisch ei.
Het verband tussen de mythen is het idee van potentieel. Het ei is een gesloten systeem dat al het leven in zich draagt, maar nog niet “is”. In het hindoeïsme is Shiva de kracht die de schaal doorbreekt. De vernietiging is nodig voor manifestatie. Waarmee Shiva niet zozeer vernietiger van het leven maar bevrijder van de vorm.
Hier kom ik terug bij mijn werk. Op de achtergrond van mijn werk figureert onder meer het gedachtegoed van Gilles Deleuze. De benadering van het Kosmisch Ei vanuit de hindoefilosofie bracht me op de gedachte van het ei van Dogon, waar Deleuze over geschreven heeft. Het ei van Dogon komt uit de scheppingsmythologie van het Dogon-volk in Mali, West-Afrika. Het Ei van de Dogon bevat het ei de kiemen van alle dingen en is het ei te zien als een vibratie, niet zozeer een ding. Net als de Shiva Lingam wordt het ei gezien als singulariteit, een heel klein punt met een enorme dichtheid. En dus potentie. Terug naar Deleuze. In Mille Plateaux gebruiken Deleuze en Guattari, door de Dogon geïnspireerd, het Kosmisch Ei om het Lichaam zonder Organen (LzO) uit leggen.
Het ei wordt hierbij niet gezien als iets in de voortplanting van een dier maar als iets anders: als een veld van intensiteiten. In een ei is alles nog vloeibaar, er zijn nog geen vaste organen, alleen stromingen en vectoren. De verwijzing naar het “Dogon-ei” wordt gemaakt om een staat van puur potentieel te beschrijven. Een wereld die nog niet is vastgelegd in structuren en dogma’s. En dit is ook wat de Shiva Lingam representeert: een vorm die alle vormen bevat maar zelf nog geen specifieke vorm heeft aangenomen.

Vergelijking Dogon, Deleuze en Shiva (Lingam): bij Dogon is het ei de toestand van een trillende kiem, de dynamiek een spiraalvormige beweging en de breuk van het ei resulteert in de creatie van de materiële wereld. In het gedachtengoed van Deleuze is het ei te zien als een veld van pure intensiteit, door een stroom van verlangen vinden breuken plaats die het “worden”, becoming, mogelijk maken. Waar bij Shiva het kosmische ei als een vormloze bron wordt beschouwd, de dynamiek de kosmische dans (Nataraja) en de breuk is gelijk aan destructie, dat een nieuwe vorm baart.
Voor Deleuze is het kosmische ei een pleidooi tegen starheid. Hij ziet het universum (en de mens) niet als een kant-0en-klaar product, maar als een voortdurend proces van wording. Shiva die ik in Varansi ontmoette is in deze context de ultieme “Deleuziaanse” godheid: Shiva vernietigt gestolde structuren (de “organen”) om ons terug te brengen naar de staat van het ei, waar alles weer mogelijk is. Een filosofie van radi-kale openheid. Dit, het steeds weer “breken”, het vernieuwen met de focus op potentie en het ongereguleerde, zijn concepten, die zich ophouden achter mijn werk, het werken met as, in brede zin. Ze komen samen in het werk Kosmisch Ei. Dat (uiteraard) is losgemaakt van het papieren kader.